Toen Duitse strategen in 1914 naar het westen keken, was België de smalle strook op de kaart. Koning Albert I reageerde alsof die kaart een levend land had beledigd. Volgens een verslag protesteerde hij, toen hij hoorde van Duitslands plan om Belgisch grondgebied te gebruiken als route naar Frankrijk: “België is een land, geen wegenkaart.”[1]
Koning Albert I van België weigerde in augustus 1914 Duitslands eis om doortocht, nam na de invasie persoonlijk het bevel over het Belgische leger op zich en bleef nauw verbonden met het verzet. Koningin Elisabeth werkte als verpleegster, terwijl hun tienerzoon Leopold korte tijd als gewoon infanteriesoldaat diende.
Op 2 augustus 1914 stelde Duitsland zijn eis: vrije doortocht door België, zodat het Duitse leger Frankrijk kon aanvallen.[1] De neutraliteit van België was in 1839 gegarandeerd door de grote mogendheden, met Pruisen onder de ondertekenaars; een belofte die na 1871 door het Duitse Keizerrijk werd geërfd.[1] Albert weigerde de eis, deels op advies van de Britse regering, en op 4 augustus vielen Duitse troepen België en Luxemburg binnen.[1][2]
Alberts weigering was geen symbolisch gebaar. Hij nam persoonlijk het bevel over de Belgische strijdkrachten, sprak het parlement toe en riep op tot “hardnekkig verzet.”[2] Hij was persoonlijk betrokken bij het tegenhouden van de Duitse opmars, onder meer bij het bevel over Antwerpen en langs de IJzer.[2]
België betaalde vrijwel onmiddellijk de prijs. In augustus en september 1914 bezetten Duitse troepen bijna het hele land.[1] Het overgebleven Belgische front werd een klein, nat restant van een staat die had geweigerd een doorgang te worden. Latere samenvattingen van de campagne schrijven het Belgische verzet toe dat het de Duitse opmars vertraagde en zo hielp het Mirakel aan de Marne mogelijk te maken.[1]
Een koninklijke familie aan het front
Alberts gezin werd onderdeel van het oorlogsbeeld dat België van zichzelf en aan de wereld liet zien. Koningin Elisabeth werkte tijdens de oorlog als verpleegster.[2] Hun zoon, de latere Leopold III, diende korte tijd als gewoon infanteriesoldaat terwijl hij nog een tiener was. Een aangehaalde bron noemt hem 14 jaar oud, niet 12.[2] Koninklijke uniformen waren in 1914 niet ongewoon, maar deze familie verbond zich op een uitzonderlijk letterlijke manier met het Belgische front.
Albert waakte ook over de Belgische onafhankelijkheid binnen het bondgenootschap dat zich rond de verdediging van België vormde. Hij kwam onder druk te staan om zich formeel bij de geallieerden aan te sluiten, maar weigerde dat. Hij gaf er de voorkeur aan de Belgische troepen onder zijn eigen bevel te houden en de mogelijkheid van een afzonderlijke vrede met Duitsland open te laten.[2] Zijn positie was smal en weloverwogen: de invasie weerstaan, de controle over het leger behouden en voorkomen dat België verdween in het raderwerk van grotere mogendheden.
De oorlog maakte Albert voor veel Belgen tot een held. Latere beschrijvingen noemen hem populair, patriottisch, katholiek en begaan met het welzijn van zijn landgenoten.[2] Na de oorlog keerde België terug naar neutraliteit, een keuze die werd gemaakt in de schaduw van wat de invasie had gekost.[1] Minder dan dertig jaar later viel Duitsland België opnieuw binnen, en Alberts zoon Leopold III voerde het bevel over het Belgische leger in een veel snellere en rampzaliger veldtocht.[3]
Albert zou die tweede bezetting niet meer meemaken. Hij stierf in 1934 tijdens het bergbeklimmen in het westen van België.[2] Het beeld dat uit de eerste oorlog achterbleef, is kleiner en harder dan een monument: een koning in uniform, een koningin aan het werk als verpleegster, en een jonge prins die korte tijd in de gelederen stond van een leger dat verdedigde wat er van zijn land over was.





