Als je een Engelstalige een manuscript uit het jaar 1200 zou geven, zou je hun geen “Oudengels” geven. Je zou hun een muur geven. De woorden zouden er in het beste geval half vertrouwd uitzien, en de betekenis zou bij het eerste contact grotendeels verdwijnen.

In IJsland is het verhaal vreemder.

De grote middeleeuwse saga’s van het land, die vanaf de 12e eeuw werden opgeschreven, zijn niet afgesloten geraakt achter het soort taalkundige breuk dat moderne sprekers elders in Europa van een groot deel van hun middeleeuwse verleden heeft afgesneden. Ze werden geschreven in het Oudijslands, een westelijk dialect van het Oudnoords, en het moderne IJslands is, althans naar de maatstaven van levende Europese talen, zo weinig veranderd dat die oude teksten nog opvallend dicht bij het heden staan.[1]

Dat betekent niet dat een moderne IJslander achteloos door elke regel van een saga glijdt alsof die vorige week is geschreven. Maar het betekent wel iets opmerkelijks: de taal van een duizend jaar oude literaire cultuur is nooit zo ver afgedreven van de mensen die haar nu nog spreken.[1]

Het toeval van isolatie

De oudste bewaard gebleven teksten in het IJslands dateren van rond 1100 na Christus.[1] Veel daarvan waren gebaseerd op poëzie en wetten die mondeling waren overgeleverd, eerst gedragen door het geheugen en pas daarna door perkament.[1] Daarna kwamen de werken die IJsland beroemd maakten ver buiten zijn bescheiden omvang: de IJslandse saga’s en de Edda-gedichten, die vanaf de 12e eeuw in IJsland werden geschreven.[1]

Dat alleen al zou genoeg zijn geweest om het land een formidabele literaire erfenis te geven. Wat IJsland ongewoon maakte, was wat er daarna gebeurde, of preciezer gezegd, wat er grotendeels niet gebeurde.

Talen worden normaal gesproken afgesleten door verovering, prestigeleengebruik, bureaucratie, handel, mode en de simpele nabijheid van machtigere talen. De woordenschat verschuift. De grammatica erodeert. De spelling drijft weg van de spreektaal. De afstand tussen voorouder en afstammeling wordt groter, totdat de oude taal minder als familie en meer als archeologie begint aan te voelen.

IJsland ontsnapte grotendeels aan dat lot.

De heerschappij die verrassend weinig veranderde

IJsland stond eeuwenlang onder buitenlands gezag, eerst Deens-Noors en later Deens, van 1536 tot 1918.[1] Op papier klinkt dat precies als het soort politieke regeling dat een taal van bovenaf volledig had moeten hervormen.

Maar volgens het historische verslag had dat relatief weinig invloed op de ontwikkeling van het IJslands.[1] Anders dan in Noorwegen, waar de Deense invloed de schrijftaal veel zwaarder hervormde, bleef het IJslands de dagelijkse taal van de algemene bevolking.[1] Dat is belangrijk. Een taal die geworteld blijft in het gewone leven heeft een betere kans om haar oudere structuur mee de toekomst in te nemen.

Dus terwijl IJsland politiek ondergeschikt was, bleef het taalkundig koppig. Natuurlijk veranderde de taal wel. Geen enkele levende taal overleeft een millennium in een vitrinekast. Maar het IJslands veranderde opvallend minder dan de andere levende Germaanse talen.[1]

Dat is de kern van het sagawonder. De brug brak nooit.

Waarom de saga’s nog steeds bereikbaar aanvoelen

De saga’s werden geschreven in het Oudijslands.[1] Modern IJslands is niet identiek aan Oudijslands, maar het is dichtbij genoeg gebleven dat de middeleeuwse teksten nog steeds tot een levend continuüm behoren in plaats van tot een dood. Dat helpt verklaren waarom het literaire verleden van IJsland zo’n ongebruikelijke culturele aanwezigheid heeft. In veel landen moeten funderende teksten worden vertaald, genormaliseerd of anderszins bemiddeld voordat gewone lezers ze kunnen benaderen. In IJsland liggen de originelen veel dichter aan de oppervlakte.

Die nabijheid is niet alleen sentimenteel. Ze is structureel. Het IJslands heeft een archaïscher vorm bewaard dan andere levende Germaanse talen, terwijl het tegelijk bleef functioneren als taal van het dagelijks leven.[1] Het resultaat is een zeldzame historische uitlijning: de taal van nationale identiteit en de taal van middeleeuwse literatuur zijn nooit volledig in gescheiden werelden uiteengevallen.

Anders gezegd: IJsland heeft niet alleen oude verhalen bewaard. Het heeft een taal bewaard die stabiel genoeg was om die verhalen door de eeuwen heen leesbaar te houden.

Een taal die bewust werd beschermd

Die stabiliteit was niet alleen een ongeluk van de geografie. Het was ook iets wat IJslanders bewust waardeerden. Een van de opvallendste kenmerken van de geschiedenis van het IJslands is de mate waarin de taal werd behandeld als iets dat het waard was om te bewaken, niet alleen om te gebruiken.

De spelling bleef bijvoorbeeld behoudend. Latere hervormingen probeerden de schrijftaal niet los te snijden van haar historische wortels. In plaats daarvan probeerden ze de spelling te regulariseren en haar tegelijk dicht bij het overgeërfde systeem te houden.[1] Dat is belangrijker dan het klinkt. Een behoudend schriftsysteem kan werken als een cultureel geheugenapparaat. Het voorkomt dat het verleden er visueel vreemd uit gaat zien.

En omdat de IJslandse literaire cultuur haar middeleeuwse teksten uitzonderlijk veel prestige gaf, bestond er een prikkel om de taal niet te ver van die teksten te laten afdrijven. De saga’s waren geen obscure documenten in een archief. Ze waren deel van wat IJsland dacht dat het was.

De nationale superkracht van een klein eiland

Daar zit iets bijna paradoxaals in. IJsland is een klein, geïsoleerd eiland in de Noord-Atlantische Oceaan, en toch kreeg het een van de diepste tijdsverbindingen tussen moderne sprekers en middeleeuwse literatuur van heel Europa.

Die verbinding hielp om de saga’s tot meer dan alleen relikwieën te maken. Ze werden bruikbare erfenis. Een moderne IJslander die saga-proza benadert, benadert geen verloren taal op de manier waarop een moderne Engelstalige Beowulf tegemoet treedt. De afstand is echt, maar niet absoluut. De middeleeuwse taal voelt nog steeds herkenbaar voorouderlijk in plaats van vreemd.[1]

En zodra een samenleving haar verleden op die manier ervaart, houdt de geschiedenis op ver weg te zijn. Ze wordt iets waar je mee in gesprek kunt gaan.

Een duizendjarig gesprek

Dat is wat het IJslands zo fascinerend maakt. De taal bleef niet bevroren. Ze bleef doorlopend. Dat is een subtielere prestatie, en een nog buitengewonere.

De oudste bewaard gebleven IJslandse teksten dateren van rond 1100.[1] De saga’s werden vanaf de 12e eeuw opgeschreven.[1] Buitenlands gezag slaagde er niet in de taal zo drastisch te hervormen als elders gebeurde.[1] En het IJslands trad de moderne wereld binnen als archaïscher, stabieler en zichtbaarder verbonden met zijn middeleeuwse vorm dan welke van zijn Germaanse verwanten ook.[1]

Dat betekent dat de titel op de interessantst mogelijke manier waar is. Mensen die IJslands spreken, kijken niet over een onoverbrugbare taalkloof naar hun saga’s. Ze luisteren naar stemmen van duizend jaar geleden via een taal die, verbazingwekkend genoeg, nooit erg ver is afgedreven.

Bronnen

1. Wikipedia - Icelandic language, History