Toen Maria Ann Smith naast de beek op haar boerderij bij Sydney een veelbelovende appelboom vond, nodigde ze een naburige teler en zijn jonge zoon uit om te komen kijken. Ze vertelde hun dat de boom was opgekomen op de plek waar ze rotte Franse wilde appels uit Tasmanië had weggegooid. De jongen, Edwin Small, haalde tientallen jaren later herinneringen op aan dat bezoek in 1868. Tegen die tijd had de vrucht van de boom de naam gekregen waarmee mensen de eigenares aanspraken: Granny Smith.[1]

Small was destijds ongeveer twaalf jaar oud. Zijn herinnering verscheen in 1924 in druk via de plaatselijke geschiedschrijver Herbert Rumsey. Hij beschreef een bezoek uit zijn jeugd, meer dan vijftig jaar na dato. Het verhaal over de weggegooide appels maakt dus deel uit van een herinnering aan de oorsprong van de boom. Maria en haar man Thomas kwamen in 1838 vanuit Engeland in Australië aan met hun vijf nog levende kinderen. In 1855 en 1856 kochten ze landbouwgrond in wat nu Eastwood is. Hun boomgaard liep daar af naar de beek, met daarnaast ruimte voor groenten en pluimvee.[1]

Vanaf die boerderij ging Maria wekelijks op pad om haar producten te verkopen. Volgens de geschiedschrijving van de gemeente Ryde liep ze op maandag naar Ryde Wharf, nam ze de veerboot naar Sydney en werkte ze op de markten tot ze op vrijdag naar huis terugkeerde. Haar klanten daar kenden haar als Granny Smith. De appel had dus een vrouw met jarenlange ervaring in teelt en verkoop die ervoor zorgde, en zij vermeerderde het nieuwe ras. Volgens de familieoverlevering entte ze takken en deelde ze stekken met naburige fruittelers.[1][2]

Die telers konden de appel verder verspreiden zonder precies te weten hoe hij was ontstaan. Zijn afstamming is nog altijd onzeker. In een gesprek met ABC News in 2025 beschreef Daniel Tan, hoogleraar aan de Universiteit van Sydney, de theorie dat het ras ontstond uit een natuurlijke kruising tussen een gecultiveerde appelboom en een wilde appelboom. Het was een toevallig opgekomen zaailing, geen resultaat van een doelbewuste kruising voor de veredeling. Maria's bijdrage was dat ze de waarde inzag van wat op haar grond was verschenen en het opkweekte.[2]

Ze overleed in maart 1870, waarna anderen de appel in commerciële teelt brachten. Edward Gallard, die later een deel van de boerderij van de familie Smith kocht, plantte het ras op grote schaal aan. In 1890 toonden telers de vrucht op de landbouw- en tuinbouwtentoonstelling van Castle Hill onder de naam Smith's Seedling. Een jaar later won hij als Granny Smith's Seedling de prijs voor kookappels. In 1895 beval het landbouwdepartement van New South Wales het ras aan voor de export en begon het de appel te telen op zijn proefstation in Bathurst.[1]

De stevige, zure groene appels werden vertrouwd op fruitschalen en in taarten, ver buiten de streek waar Maria haar producten had verkocht.[2][3] Haar naam brengt sommige liefhebbers nog altijd terug naar Ryde. In 2025 vertelde de plaatselijke geschiedschrijver Janice Eastment aan ABC dat ze kort daarvoor twee groepen bezoekers naar de grafsteen van Granny Smith had begeleid. Daar waren ze verbaasd de vrouw achter hun favoriete appels te vinden. Op St Anne's Cemetery wordt Maria's grafsteen bekroond door een boog van appels en bladeren.[2]


Bronnen

  1. Bibliotheken van de gemeente Ryde: Granny Smith, de naam, de vrucht, de nalatenschap
  2. ABC News: Hoe de beroemde Granny Smith-appel voortkwam uit een toevallige zaailing in Eastwood
  3. Wikipedia: Granny Smith (achtergrond)

Afbeelding: hedendaagse Granny Smith-appels, ter illustratie. Foto van Assianir via Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0. Bijgesneden en op een ander formaat gebracht; afgeleid werk onder dezelfde licentie.