In Vysoká, in Bohemen, had religieuze tolerantie een duidelijke vorm. De kerk mocht worden gebouwd, maar zonder toren. Ze mocht niet te veel op een kerk lijken. Ze mocht zelfs niet rechtstreeks op de straat uitkomen.[3] Jozef II had toestemming gegeven, maar die toestemming kwam nog altijd via de zijdeur.

Het josefinisme was de tienjarige campagne van keizer Jozef II om de Habsburgse monarchie om te vormen tot een gecentraliseerde verlichtingsstaat. Hij versoepelde de lijfeigenschap, breidde rechten voor religieuze minderheden uit, stimuleerde onderwijs en geneeskunde, en probeerde de katholieke kerk onder staatscontrole te brengen, maar door verzet bleef een groot deel van het programma ongelijk uitgevoerd of van korte duur.

Jozef werd in 1741 geboren als zoon van Maria Theresia van Oostenrijk en Frans I, en zijn opvoeding was doordrenkt van de verlichte taal van rede, orde en zorgvuldig bestuur.[1] De Habsburgse monarchie die hij erfde was geen keurig geordende machine. Het was een gelaagd rijk van kroonlanden, feodale verplichtingen, lokale privileges, kerkelijk gezag en provinciale uitzonderingen.

Vijftien jaar lang had Jozef wel een kroon, maar geen volledige macht. Na de dood van zijn vader in 1765 werd hij keizer van het Heilige Roomse Rijk, maar in de Habsburgse landen bleef hij tot Maria Theresia’s dood in 1780 junior-mederegent naast haar.[1] Onder haar bewind waren al enkele hervormingen begonnen, waaronder beperkingen op kerkelijk bezit, de opheffing van 71 van de 467 kloosters in Lombardije, en grenzen aan bepaalde feodale verplichtingen in Bohemen.[1] Zodra Jozef alleen regeerde, probeerde hij het hele project te versnellen.

Volgens een beschrijving van zijn regering vaardigde hij 6.000 edicten en 11.000 nieuwe wetten uit, bedoeld om vrijwel elk onderdeel van het rijk te reguleren en opnieuw te ordenen.[4] Hij was geen democraat. Hij was een verlicht absolutist, ervan overtuigd dat betere levens vanuit het centrum konden worden voortgebracht: per bevel, volgens rede en efficiëntie.[4]

De keizer die het dagelijks leven wilde herschrijven

Op 1 november 1781 vaardigde Jozef patenten voor Bohemen uit die de juridische relatie tussen boeren en hun heren veranderden. Ze schaften heerlijke boetes en lijfstraffen af, namen de adel de zeggenschap af over het huwelijk, de bewegingsvrijheid en het beroep van een lijfeigene, en gaven boeren de mogelijkheid om erfelijk eigendom te kopen van de grond die zij bewerkten.[2] Grootgrondbezitters verzetten zich, de handhaving verschilde per regio, en in het bredere rijk werd de lijfeigenschap pas in 1848 volledig afgeschaft.[2][4]

In datzelfde jaar verleende het Tolerantiepatent religieuze vrijheid aan lutheranen, calvinisten en Servisch-orthodoxe christenen in de Habsburgse landen.[3] In 1782 breidde het Tolerantie-edict die godsdienstvrijheid uit naar Joodse gemeenschappen.[3] Protestanten uit minder tolerante landen mochten immigreren en werken als apothekers, timmerlieden, smeden en in andere beroepen.[3]

Die toestemmingen kwamen met zichtbare beperkingen. Niet-katholieke gemeenten konden worden beperkt tot private erediensten, en een kerk mocht alleen onder bepaalde voorwaarden worden gebouwd. Zelfs dan kon worden geëist dat ze geen ingang aan de straat had en er niet duidelijk als een kerk uitzag.[3] In Bohemen drukten katholieke functionarissen toelichtingen op het edict in het Duits, hoewel veel van de betrokken mensen geen Duits konden lezen of spreken.[3]

Jozefs bevelen bereikten ook de klaslokalen. Hij zette de hervormingen in onderwijs en volksgezondheid voort die onder Maria Theresia waren begonnen, maakte lager onderwijs verplicht, stelde beurzen in voor getalenteerde arme leerlingen, en stond scholen toe voor Joden en andere religieuze minderheden.[4] In 1784 beval hij dat het onderwijs niet langer in het Latijn, maar in het Duits moest plaatsvinden, een explosief besluit in een meertalig rijk.[4]

De hevigste strijd draaide om de katholieke kerk. Jozef wilde kerkelijke aangelegenheden in zijn gebieden, buiten de kernleer om, onder staatsregulering en toezicht plaatsen, inclusief bestuur en clericale discipline.[5] Hij verwierp het rooms-katholicisme niet als de historische kerk van zijn landen, maar hij wilde die wel ondergeschikt maken aan de grotere orde van de staat.[5]

Adel, geestelijkheid, provincies en lokale gemeenschappen verzetten zich tegen een hervormingsprogramma dat vaak minder als bevrijding voelde dan als inmenging.[4] Jozef stierf in 1790 in Wenen, na een decennium van heerschappij dat sneller was gegaan dan een groot deel van zijn rijk kon verwerken.[5] Wat overbleef was een keizer die als verlicht werd herinnerd, en een kerk in Bohemen die mocht blijven staan, zonder toren, met de deur afgewend van de straat.

Bronnen

  1. Josephinism, Wikipedia
  2. Josephinism Explained, Everything Explained Today
  3. 1782 Edict of Tolerance, Wikipedia
  4. Joseph II and Domestic Reform, Lumen Learning
  5. Joseph II, Christian Classics Ethereal Library