Penn Jillette droeg een korte broek en een sportshirt, wat hem eigenlijk een waardeloos doelwit had moeten maken. Geen jasje. Geen overvolle zakken. Geen makkelijke verstopplekken. Op een goochelaarsconventie in Las Vegas vroeg hij Apollo Robbins toch om iets van hem te stelen. Robbins weigerde, maar stelde daarna voor een truc te doen met Jillettes ring en een pen.[1]

Apollo Robbins, een theatrale zakkenroller uit Las Vegas, werd beroemd nadat hij in 2001 spullen ontvreemdde van de Secret Service-beveiligers van Jimmy Carter, waaronder Carters reisschema, de badges van agenten, een horloge en de sleutels van Carters autocolonne.[1]

Jillette deed zijn ring af, legde hem op een stuk papier, klikte een pen los van zijn shirt en boog zich voorover om de cirkel over te trekken. Toen hield hij op. Zijn gezicht werd bleek. Robbins hield de inktvulling uit Jillettes eigen pen omhoog: een dun cilindertje dat was verwijderd terwijl iedereen dacht dat de truc ergens anders plaatsvond.[1]

Het publiek om hen heen bestond niet uit makkelijke slachtoffers. Dit waren goochelaars, mensen wier werk ervan afhangt dat ze misleidende bewegingen opmerken. Jillette was geen portemonnee kwijtgeraakt en hij was niet in een menigte aangestoten. Het voorwerp dat verdween, was niet eens de pen. Het was het werkende onderdeel binnenin.[1]

De zakkenroller die alles teruggaf

Robbins staat in het vak bekend als een theatrale zakkenroller: een artiest die dingen wegneemt uit jasjes, broeken, handtassen, van polsen, vingers en halzen, om ze daarna terug te geven op manieren die het slachtoffer doen lachen, verstijven of de laatste paar seconden ongelovig laten terugspoelen.[1] Adam Green meldde dat Robbins, destijds achtendertig toen hij in The New Yorker werd geprofileerd, onder vakgenoten werd beschouwd als misschien wel de beste ter wereld in die merkwaardige tak van entertainment.[1]

Ook beroemdheden werden onderdeel van de act. Volgens Green nam Robbins de verlovingsring van Jennifer Garner, contant geld van Charles Barkley en een Patek Philippe-horloge van Ace Greenberg, de voormalige voorzitter van Bear Stearns, mee — om ze daarna weer terug te geven.[1]

Robbins had een vaste zin voor het moment waarop hij een portemonnee of horloge liet zien dat hij net had weggehaald: “Krijg ik wel genoeg betaald om dit terug te geven?”[1] Die grap werkte omdat iedereen in de zaal het antwoord al wist. Het voorwerp was veilig. Het ongemakkelijke zat in het besef hoe kort het even niet meer van jou was geweest.

De beveiliging van Jimmy Carter

Het verhaal dat Robbins buiten goochelaarskringen bekend maakte, speelde zich af in 2001, terwijl voormalig president Jimmy Carter aan het dineren was. Robbins raakte in gesprek met leden van Carters Secret Service-team. Binnen een paar minuten had hij de zakken van de agenten leeggehaald, op vrijwel alles na behalve hun wapens.[1]

Hij haalde een kopie van Carters reisschema tevoorschijn. Toen een agent het teruggriste, zei Robbins tegen hem: “U hebt helemaal geen toestemming om dat in te zien!” De agent greep naar zijn badge, en Robbins toverde ook die tevoorschijn en gaf hem terug. Daarna wendde Robbins zich tot het hoofd van de beveiligingsploeg en gaf diens horloge, badge en de sleutels van Carters autocolonne terug.[1]

De scène klinkt als een beveiligingsles in verhaalvorm, maar Robbins demonstreerde geen lockpicks, vervalste papieren of gadgets. Hij demonstreerde aandacht. De mensen tegenover hem waren getraind om gevaar te zien aankomen, en toch konden hun handen, ogen en aannames naar het verkeerde moment worden gestuurd. Het object verdween tijdens een gesprek, niet tijdens een achtervolging.

Daarom heeft zijn werk meer mensen gefascineerd dan alleen nachtclubpubliek. Green meldde dat psychiaters, neurowetenschappers en het leger Robbins’ methoden hebben bestudeerd om wat ze onthullen over menselijke aandacht.[1] Econoom Paul Romer schreef later dat tijd doorbrengen met Robbins iemand opnieuw bewust maakt van het feit dat er in interacties met andere mensen “unknown unknowns” bestaan waar we geen rekening mee houden.[2]

Robbins’ diefstallen zijn theatraal omdat het einde al ingebouwd is. De badge komt terug. Het horloge komt terug. De sleutels komen terug. Maar een paar seconden lang is de wereld opnieuw ingericht. Een Secret Service-agent reikt naar de plek waar autoriteit hoort te zitten, en Apollo Robbins heeft die al in zijn hand.

Bronnen

  1. Adam Green, “A Pickpocket’s Tale,” The New Yorker
  2. Paul Romer, “Base-Rate Blindness”